De WinterVuurplaats

   

Het droomlied van Olav Åsteson
(Fragment)

Ik legde mijn in de kerstnacht neer
en slaap kreeg ik, zo sterk,
ontwaakte niet voor de dertiende dag
toen ’t volk al ging ter kerke,
    De maan schijnt helder,
    steeds verder wijken de wegen.

Ik ben tot hoog in de wolken geweest
en diep in de zee gegaan;
hem die mijn voetspoor volgen wil
zal het blijde lachen vergaan.
    De maan schijnt helder,
    steeds verder wijken de wegen.

Ik ben tot hoog in de wolken geweest
en diep in het zwarte slijk,
ik heb er de hete hel gezien
en een deel van ’t hemelrijk.
    De maan schijnt helder,
    steeds verder wijken de wegen.

Ik voer al over ’t gewijde water
en over diepe dalen,
hoor er het water en zie het niet,
het moet stromen onder de aarde.
    De maan schijnt helder,
    steeds verder wijken de wegen.

Ik ben zo afgemat en moe
en vuur brandt in mijn mond,
hoor er het water en krijg het niet,
het moet stromen onder de grond.
    De maan schijnt helder,
    steeds verder wijken de wegen.

Niet hinnikte daar mijn oude trouwe paard,
niet blafte daar mijn hond,
niet zong er een vogel zijn morgenlied,
dat leek mij wel een wonder.
    De maan schijnt helder,
    steeds verder wijken de wegen.

Ik heb veel van de wereld gezien
en wijs was ik, naar ‘k meende.
Lang ben ik onder de aarde geweest –
had gedacht de dood was vredig.
    De maan schijnt helder,
    steeds verder wijken de wegen.

...

Fragment uit: Het droomlied van Olav Åsteson (Zeist, 1992), p. 14-17.